Datum
Nummer HOOFDDIRECTIE JURIDISCHE ZAKEN
HDJZ/LUV
Onderwerp
Regeling van de Staatssecretaris van Verkeer en Waterstaat, houdende nadere regels voor
vluchten met een modelvliegtuig (Regeling modelvliegen)
DE STAATSSECRETARIS VAN VERKEER EN WATERSTAAT,
Gelet op artikel 5.7 van de Wet luchtvaart en artikel 56 van het Luchtverkeersreglement;
Besluit:
Artikel 1
In deze regeling wordt verstaan onder een modelvliegtuig een luchtvaartuig van geringe afmeting, waarvan de totale startmassa niet meer dan 25 kilogram bedraagt.
Artikel 2
Voor een vlucht met een modelvliegtuig gelden in afwijking van hoofdstuk III van het Luchtverkeersreglement de volgende regels:
a. de vlucht wordt uitgevoerd in overeenstemming met de algemene vliegvoorschriften;
b. de vlucht wordt slechts uitgevoerd onder omstandigheden en op locaties waarbij er
vanaf de grond tijdens de gehele vlucht goed zicht is op het modelvliegtuig en het
luchtruim daaromheen;
c. de bestuurder houdt tijdens de gehele vlucht goed zicht op het modelvliegtuig;
d. een hoogtemeter hoeft niet te worden gebruikt;
e. het is verboden voorwerpen of stoffen te verwijderen tijdens de vlucht, met uitzondering van zand, water of voorwerpen waarvan de massa niet meer is dan 200 gram per
voorwerp overeenkomstig door de Minister van Verkeer en Waterstaat op grond van
artikel 13 van het Luchtverkeersreglement;
f. een ander modelvliegtuig of een net of doek mag worden gesleept;
g. kunstvluchten mogen worden uitgevoerd;
h. het is verboden een ander luchtvaartuig zo dicht te naderen dat gevaar voor botsing
ontstaat, tenzij tussen de bestuurders vooraf hierover afspraken zijn gemaakt;
i. de bestuurder van een modelvliegtuig neemt alle maatregelen die een botsing kunnen voorkomen en geeft voorrang aan elk luchtvaartuig, dat geen modelvliegtuig is;
j. voor een vlucht wordt geen vliegplan ingediend;
k. gecontroleerde vluchten zijn niet toegestaan;
l. vluchten zijn toegestaan tot een hoogte van maximaal 300 meter boven de grond of
het water in luchtruim met klasse G, mits
1°. voor vluchten binnen een afstand van 3 km van een ongecontroleerd luchtvaartterrein of een terrein waarvoor een ontheffing van artikel 14 van de Luchtvaartwet is
verleend, geen bezwaar bestaat bij de houder van de aanwijzing respectievelijk ontheffing; HDJZ/LUV
2
2°. voor vluchten binnen een gebied waarin laag mag worden gevlogen door civiele
of militaire luchtvaartuigen iemand met de bestuurder van het modelvliegtuig meekijkt
om deze te kunnen waarschuwen voor luchtvaartuigen;
m. vluchten zijn toegestaan tot een hoogte van maximaal 450 meter boven de grond of
het water, mits dit gebeurt binnen een aerodrome traffic zone van een militair luchtvaartterrein waarop modelvliegen is toegestaan en dit gebied exclusief voor modelvliegen wordt gebruikt of met de andere gebruiker(s) sluitende afspraken zijn gemaakt inzake separatie;
n. vluchten zijn toegestaan in luchtruim met klasse C, mits een convenant is gesloten
met de organisatie die de plaatselijke luchtverkeersleiding verzorgt en de bestuurder
zich houdt aan de afspraken in dat convenant;
o. de regels voor een radioverbinding met een luchtverkeersleidingsdienst gelden niet;
p. de regels voor de bediening van boordapparatuur voor het beantwoorden van vragen
door radargrondstations gelden niet;
q. de regels voor de navigatie- en telecommunicatie-installaties waarmee een luchtvaartuig voor het uitvoeren van een VFR-vlucht is uitgerust, gelden niet.
Artikel 3
Modelvliegtuigen worden aangewezen als onbemande luchtvaartuigen, bedoeld in artikel 5.7,
derde lid, van de Wet luchtvaart.
Artikel 4
De Regeling modelvliegtuigen
1
wordt ingetrokken.
Artikel 5
Deze regeling treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de
Staatscourant, waarin zij wordt geplaatst.
Artikel 6
Deze regeling wordt aangehaald als: Regeling modelvliegen.
Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.
DE STAATSSECRETARIS VAN VERKEER EN WATERSTAAT,
mw drs M.H. Schultz van Haegen
1
Stcrt. 1993, 133, gewijzigd bij ministeriële regeling van 6 juli 1994, Stcrt. 1994, 136 HDJZ/LUV
3
Toelichting
In de wet van 29 april 1999, houdende wijziging van de Wet Luchtverkeer (luchtvaartuigen en
vluchtuitvoering; Stb, 1999, 235), sinds 1 juli 1999 de Wet luchtvaart geheten, is een nieuwe
definitie van luchtvaartuig gegeven. Het voordien onder de Luchtvaartwet geldende systeem
dat bij algemene maatregel van bestuur toestellen wel of niet onder het begrip luchtvaartuig
gebracht werden, kwam daarmee te vervallen. Daarmee is artikel 59 van het Luchtverkeersreglement in feite inhoudloos geworden. Die bepaling regelt het gebruik van het luchtruim
door niet-luchtvaartuigen en is de grondslag voor een ministeriële regeling. Op grond van
deze bepaling van het Luchtverkeersreglement zijn er ministeriële regelingen voor modelvliegtuigen, zeilvliegtuigen, valschermzweeftoestellen, kabelvliegers en kleine ballons. Deze
regelingen hebben echter sinds 1 juli 1999 geen reden van bestaan meer.
De onderhavige regeling is gebaseerd op artikel 56 van het Luchtverkeersreglement. Artikel
56 voorziet in het stellen van nadere regels ten aanzien van vluchten waarbij door de aard
van het luchtvaartuig of het doel van de vlucht niet kan worden voldaan aan bij of krachtens
hoofdstuk III van het Luchtverkeersreglement gestelde regels. Gelet op de aard van het modelvliegtuig is het evident dat niet kan worden voldaan aan tal van verplichtingen van hoofdstuk III van het Luchtverkeersreglement.
De regeling is in nauw overleg met de Koninklijke Nederlandse Vereniging voor Luchtvaart
(KNVvL) tot stand gekomen. In het kader van deregulering en zelfregulering zijn inhoudelijke
normen met betrekking tot de constructie en besturing uit de Regeling modelvliegtuigen niet
overgenomen. Het is aan de sector om de inhoudelijke normen zelf in te vullen. Daarbij wordt
de bestuurder van een modelvliegtuig geadviseerd, teneinde op een verantwoorde wijze de
modelvliegsport te beoefenen, veiligheidsmaatregelen te nemen, zoals die bijvoorbeeld zijn
opgenomen in het basis veiligheidsreglement modelvliegsport van de KNVvL.
Voor modelvliegtuigen waarvan de totale massa ten hoogste 25 kg bedraagt zijn al delen van
de luchtvaartwet- en regelgeving niet van toepassing verklaard:
a. artikel 2.1, eerste en tweede lid, van de Wet luchtvaart met het verbod om een luchtvaartuig te bedienen zonder het daarvoor geldige bewijs van bevoegdheid of gelijkstelling, zodat
voor het besturen van een modelvliegtuig geen door de Minister van Verkeer en Waterstaat
afgegeven vliegbewijs nodig is (Artikel 11 van het Besluit bewijzen van bevoegdheid voor de
luchtvaart);
b. hoofdstuk 3 van de Wet luchtvaart en het Besluit luchtvaartuigen met regels voor nationaliteitskenmerken en registratie, luchtwaardigheid (certificatie en onderhoud), zodat een modelvliegtuig niet hoeft te zijn ingeschreven in het luchtvaartuigregister en geen bewijs van luchtwaardigheid nodig is (Artikel 1 van het Besluit luchtvaartuigen);
c. artikel 14, eerste lid onderdelen a en b, van de Luchtvaartwet, zodat het niet verboden is
om met een modelvliegtuig te starten van of te landen op een terrein dat geen luchtvaartterrein is (Artikel 1a van het Besluit inrichting en gebruik niet aangewezen luchtvaartterreinen).
Een modelvliegtuig is, zodra het vliegt, onderdeel van het luchtverkeer. De verplichtingen
voor luchtverkeer bij of krachtens de Wet luchtvaart zijn van toepassing op degene die verantwoordelijk is voor een modelvliegtuig. HDJZ/LUV
4
Een basisregel is het verbod in artikel 5.3 van de Wet luchtvaart om op zodanige wijze aan
het luchtverkeer deel te nemen dat daardoor personen of zaken in gevaar worden of kunnen
worden gebracht. Artikel 5.4 van de Wet luchtvaart verbiedt het om boven gebieden met
aaneengesloten bebouwing of kunstwerken, industrie- en havengebieden daaronder begrepen, dan wel boven mensenmenigten, aan het luchtverkeer deel te nemen op een zodanige
hoogte dat het niet meer mogelijk is een noodlanding uit te voeren zonder personen of zaken
op het aardoppervlak in gevaar te brengen.
Volgens artikel 5.7 van de Wet luchtvaart is de gezagvoerder ervoor verantwoordelijk dat de
uitvoering van de vlucht geschiedt in overeenstemming met de bij of krachtens deze wet gestelde regels. Degene die een modelvliegtuig bestuurt of oplaat geldt als gezagvoerder.
De onderhavige regeling betreft alleen het gebruik van het luchtruim. Andere onderwerpen
ook die welke in verordeningen van lagere overheden kunnen zijn geregeld, bijvoorbeeld in
het kader van milieu, openbare orde en veiligheid, vallen buiten de reikwijdte van deze regeling
Artikelsgewijs
Artikel 2
Bij modelvliegen blijft de bestuurder/gezagvoerder op de grond. De veiligheid van het modelvliegen vereist derhalve in de eerste plaats goed zicht vanaf de grond op het modelvliegtuig
en het luchtruim daaromheen.
Luchtruim met de klasse G is vanaf de grond gezien al het luchtruim direct boven de grond
buiten de plaatselijke luchtverkeersleidingsgebieden. Die laatste gebieden hebben de klasse
C en liggen rond zowel burger als militaire luchtvaartterreinen waar plaatselijke luchtverkeersleiding wordt gegeven. De luchtverkeersleider ter plaatse kan en mag geen toestemming verlenen. Aanvragen voor een convenant tussen een modelvlieger of modelvliegclub en
de luchtverkeersdienst worden alleen schriftelijk ingediend. Bij de aanvraag kan worden aangegeven aan welke maatregelen de aanvrager zich bij voorbaat verbindt om de veiligheid van
het luchtverkeer te waarborgen. Daarbij kan worden gedacht aan:
- maximale vlieghoogte
- type modelvliegtuig
- maximaal aandrijfvermogen
- afmetingen vlieggebied
- leiding tijdens het vliegen
Het Ministerie van Defensie heeft al een zogenaamde raamvergunning voor burgermedegebruik van militaire luchtvaartterreinen afgegeven aan de KNVvL. Deze is van toepassing op
specifieke militaire luchtvaartterreinen. Voor het modelvliegen buiten zo'n terrein, maar binnen het plaatselijk luchtverkeersleidingsgebied moet men zich wenden tot het Ministerie van
Defensie, TL/AOO/HB M LVB, Postbus 20703, 2500 ES Den Haag
Voor het noodzakelijke convenant binnen de burgerluchtverkeersleidingsgebieden moet men
zich wenden tot het bestuur van LVNL, Postbus 75200 1117 ZT Luchthaven Schiphol
Modelvliegen vanaf een luchtvaartterrein of een terrein met een ontheffing ex artikel 14
Luchtvaartwet is in principe ook mogelijk (omdat dit de meest extreme vorm 'binnen een af-HDJZ/LUV
5
stand van 3 km' is). Het certificaat van het luchtvaartterrein en de planologische mogelijkheden zijn dan automatische randvoorwaarden.
De plaatselijke luchtverkeersleidingsgebieden (met luchtruim klasse C), oefengebieden, laagvlieggebieden en –routes en luchtvaartterreinen zijn te vinden in de luchtvaartgids (aeronautical information publication). Laag vliegende luchtvaartuigen zijn met name hier te verwachten.
Omdat de minimum vlieghoogte voor luchtvaartuigen onder zichtvliegvoorschriften (VFR) buiten aaneengesloten bebouwing 500 voet (150 m) bedraagt, bestaat de mogelijkheid van een
conflict tussen een modelvliegtuig en een (waarschijnlijk klein) luchtvaartuig. Het is primair
de bestuurder van het modelvliegtuig die een dergelijk conflict kan en moet voorkomen. Hij
dient daartoe dan ook alle maatregelen te nemen. Een dergelijke maatregel zou bijvoorbeeld
kunnen zijn iemand met de bestuurder mee te laten kijken om te kunnen waarschuwen voor
andere luchtvaartuigen.
Artikel 3
Artikel 5.7, eerste lid, van de Wet luchtvaart bepaalt dat de gezagvoerder zich aan boord van
het luchtvaartuig bevindt. Ingevolge het derde lid van deze bepaling kan de Minister van Verkeer en Waterstaat bij ministeriële regeling onbemande luchtvaartuigen aanwijzen waarop
het eerste lid niet van toepassing is. In onderhavig artikel is het modelvliegtuig aangewezen
als onbemand luchtvaartuig.
DE STAATSSECRETARIS VAN VERKEER EN WATERSTAAT,
mw drs M.H. Schultz van Haegen